Saber (weten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van saber (weten) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Saber (weten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 3: Día a día (Dag tot dag)

Les 22: Partes del cuerpo (Lichaamsdelen)

Basiswerkwoordsvormen

Infinitivo (Infinitief) Gerundio (Deelwoord) Participio (Deelwoord)
Saber (weten) Sabiendo (weten) Sabido (geweten)

Saber (weten): Werkwoordvervoegingstabellen

Indicativo (Aantonende wijs) Subjuntivo (Aanvoegende wijs)

Presente 

Spaans Nederlands
yo sé ik weet
tú sabes jij weet
él/ella sabe hij/zij weet
nosotros/nosotras sabemos wij weten
vosotros/vosotras sabéis jullie weten
ellos/ellas saben zij weten

Pretérito perfecto 

Spaans Nederlands
yo he sabido ik heb geweten
tú has sabido jij hebt geweten
él/ella ha sabido hij/zij heeft geweten
nosotros/nosotras hemos sabido wij hebben geweten
vosotros/vosotras habéis sabido jullie hebben geweten
ellos/ellas han sabido zij hebben geweten

Subjuntivo presente 

Spaans Nederlands
yo sepa ik weet
tú sepas jij weet
él/ella sepa hij weet
nosotros/nosotras sepamos wij weten
vosotros/vosotras sepáis jullie weten
ellos/ellas sepan zij weten

Subjuntivo pretérito perfecto 

Spaans Nederlands
yo haya sabido ik heb geweten
tú hayas sabido jij hebt geweten
él/ella haya sabido hij/zij heeft geweten
nosotros/nosotras hayamos sabido wij zouden hebben geweten
vosotros/vosotras hayáis sabido jullie hebben geweten
ellos/ellas hayan sabido zij zouden hebben geweten

Pretérito imperfecto 

Spaans Nederlands
yo sabía ik wist
tú sabías jij wist
él/ella sabía hij/zij wist
nosotros/nosotras sabíamos wij wisten
vosotros/vosotras sabíais jullie wisten
ellos/ellas sabían zij wisten

Pretérito pluscuamperfecto 

Spaans Nederlands
yo había sabido ik had geweten
tú habías sabido jij had geweten
él/ella había sabido hij/zij had geweten
nosotros/nosotras habíamos sabido wij hadden geweten
vosotros/vosotras habíais sabido jullie hadden geweten
ellos/ellas habían sabido zij hadden geweten

Subjuntivo pretérito imperfecto 

Spaans Nederlands
yo supiera/supiese ik zou weten
tú supieras/supieses jij zou weten
él/ella supiera/supiese hij wist
nosotros/nosotras supiéramos/supiésemos wij wisten
vosotros/vosotras supierais/supieseis jullie zouden weten
ellos/ellas supieran/supiesen zij wisten

Subjuntivo pluscuamperfecto 

Spaans Nederlands
yo hubiera/hubiese sabido ik had geweten
tú hubieras/hubieses sabido jij zou hebben geweten
él/ella hubiera/hubiese sabido hij zou hebben geweten
nosotros/nosotras hubiéramos/hubiésemos sabido wij zouden hebben geweten
vosotros/vosotras hubierais/hubieseis sabido jullie zouden geweten hebben
ellos/ellas hubieran/hubiesen sabido zij zouden geweten hebben

Pretérito indefinido 

Spaans Nederlands
yo supe ik wist
tú supiste jij wist
él/ella supo hij/zij wist
nosotros/nosotras supimos wij wisten
vosotros/vosotras supisteis jullie wisten
ellos/ellas supieron zij wisten

Pretérito anterior 

Spaans Nederlands
yo hube sabido ik had geweten
tú hubiste sabido jij zou hebben geweten
él/ella hubo sabido hij/zij had geweten
nosotros/nosotras hubimos sabido wij hadden geweten
vosotros/vosotras hubisteis sabido jullie hadden geweten
ellos/ellas hubieron sabido zij hadden geweten

Subjuntivo futuro simple 

Spaans Nederlands
yo supiere ik zou weten
tú supieres jij zult weten
él/ella supiére hij zou weten
nosotros/nosotras supiéremos wij zouden weten
vosotros/vosotras supiéreis jullie zouden weten
ellos/ellas supiéren zij zouden weten

Subjuntivo futuro perfecto 

Spaans Nederlands
yo hubiere sabido ik zou hebben geweten
tú hubieres sabido jij zou geweten hebben
él/ella hubiere sabido hij zou geweten hebben
nosotros/nosotras hubiéremos sabido wij zouden geweten hebben
vosotros/vosotras hubiereis sabido jullie zullen geweten hebben
ellos/ellas hubieren sabido zij zouden geweten hebben

Futuro simple 

Spaans Nederlands
yo sabré ik zal weten
tú sabrás jij zult weten
él/ella sabrá hij/zij zal weten
nosotros/nosotras sabremos wij zullen weten
vosotros/vosotras sabréis jullie zullen weten
ellos/ellas sabrán zij zullen weten

Futuro perfecto 

Spaans Nederlands
yo habré sabido ik zal hebben geweten
tú habrás sabido jij zal geweten hebben
él/ella habrá sabido hij/zij zal hebben geweten
nosotros/nosotras habremos sabido wij zullen geweten hebben
vosotros/vosotras habréis sabido jullie zullen geweten hebben
ellos/ellas habrán sabido zij zullen geweten hebben
Imperativo (Imperatief)

Imperativo 

Spaans Nederlands
¡Sabe! Jij weet!
¡Sepa! Hij weet.
¡Sepamos! wij weten!
¡Sabed! weten jullie
¡Sepan! zij moeten weten

Imperativo negativo 

Spaans Nederlands
¡No sepas! jij weet niet
¡No sepa! hij/zij weet niet
¡No sepamos! Laten we niet weten!
¡No sepáis! jullie weten niet
¡No sepan! zij weten niet

Condicional simple 

Spaans Nederlands
yo sabría ik zou weten
tú sabrías jij zou weten
él/ella sabría hij/zij zou weten
nosotros/nosotras sabríamos wij zouden weten
vosotros/vosotras sabríais jullie zouden weten
ellos/ellas sabrían zij zouden weten

Condicional perfecto 

Spaans Nederlands
yo habría sabido ik zou hebben geweten
tú habrías sabido jij zou hebben geweten
él/ella habría sabido hij/zij zou geweten hebben
nosotros/nosotras habríamos sabido wij zouden hebben geweten
vosotros/vosotras habríais sabido jullie zouden hebben geweten
ellos/ellas habrían sabido zij zouden geweten hebben

Tegenwoordige en toekomstige tijden: A1

Oefening: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Ik zal weten wat te doen met de pijn.
Sabré qué hacer con el dolor.
2. Zij zullen weten hoe ze hun handen goed moeten wassen.
Ellas sabrán lavarse las manos bien.
3. Zullen jullie weten wat te doen met de hoest?
¿sabréis qué hacer con la tos?
4. Wij weten hoe we de bril moeten gebruiken.
Sabemos usar las gafas.
5. Jij weet waarom mijn neus pijn doet.
Sabes por qué mi nariz duele.

Basis verleden tijd (A2/B1)

Oefening: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Wij wisten hoe we onze handen moesten gebruiken.
Nosotros sabíamos cómo usar las manos.
2. Heb je over je nek gehoord?
¿has sabido sobre tu cuello?
3. Zij wisten over de gezondheid van de mond.
Ellos sabían sobre la salud de la boca.
4. We wisten dat zij de chocoladetaart had weggegeven.
Supimos que ella regaló la tarta de chocolate.
5. Ze kwamen te weten dat de kantoorboekhandel aanbiedingen heeft.
Supieron que la papelería tiene ofertas.

Basis subjunctief oefeningen: B1

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies het juiste werkwoord en de juiste tijd.

Toon vertaling Toon antwoorden

sepa, sepáis, sepas, sepan

1.
Espero que lo de la boca y nariz.
(Ik hoop dat jullie het over de mond en neus weten.)
2.
Es importante que las partes del cuerpo.
(Het is belangrijk dat je de lichaamsdelen kent.)
3.
Quiero que yo más del cuerpo.
(Ik wil dat ik meer over het lichaam weet.)
4.
Prefiero que él cómo usar las gafas.
(Ik heb liever dat hij weet hoe hij de bril moet gebruiken.)
5.
Quiero que el nombre de cada parte.
(Ik wil dat jullie de naam van elk onderdeel weten.)

Gevorderde oefeningen: C1/C2

Oefening: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Ik wil dat je goed voor je benen hebt gezorgd.
Quiero que hayas sabido cuidar las piernas.
2. Ze zouden beter hun handen hebben kunnen gebruiken.
Hubieran sabido usar mejor las manos.
3. Het is mogelijk dat hij zijn hoofd heeft weten te beschermen.
Es posible que haya sabido proteger su cabeza.
4. Jij zou beter voor de voeten hebben kunnen zorgen.
Tú habrías sabido cuidar los pies mejor.
5. We zouden het belang van de taille hebben geweten.
Hubiéramos sabido la importancia de la cintura.