Hoe plannen te maken om met vrienden af te spreken

Pedro en Ana proberen elkaar te ontmoeten in een drukke week.

Diálogo: Cómo hacer planes para quedar con los amigos

Pedro y Ana intentan encontrarse en una semana ocupada.

 Hoe plannen te maken om met vrienden af te spreken

A1 Spaans

Niveau: A1

Module 2: De horas a estaciones (Van uren tot seizoenen)

Les 9: Días de la semana y partes del día. (Dagen van de week en dagdelen)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 15 minuten

Audio en video

Gesprek

1. Pedro: Hola Ana. ¿Cuándo nos vemos esta semana? (Hallo Ana. Wanneer zien we elkaar deze week?)
2. Ana: El lunes por la mañana trabajo en la oficina. (Op maandag ochtend werk ik op kantoor.)
3. Pedro: ¿Y el martes antes de cenar? (En dinsdag voor het avondeten?)
4. Ana: Por la tarde tengo un cumpleaños. (In de middag heb ik een verjaardag.)
5. Pedro: Entonces, ¿el miércoles? (Dus, woensdag?)
6. Ana: Por el día trabajo y por la noche ceno con mi familia. (Overdag werk ik en 's nachts eet ik met mijn familie.)
7. Pedro: ¡Qué ocupada estás! (Wat ben jij druk!)
8. Ana: Lo siento, el jueves y el viernes también estoy ocupada. (Sorry, donderdag en vrijdag ben ik ook bezet.)
9. Pedro: ¿Quedamos el fin de semana? (Zullen we afspreken in het weekend?)
10. Ana: Estoy libre el sábado por la mañana. (Ik ben vrij op zaterdagochtend.)
11. Pedro: Genial. Y el domingo descansamos. (Geweldig. En op zondag rusten we uit.)

Oefening 1: Discussievragen

Instructie: Bespreek de vragen nadat je naar de audio hebt geluisterd of de tekst hebt gelezen.

  1. ¿Qué día Ana cena con su familia?
  2. Op welke dag dineert Ana met haar familie?
  3. ¿Que día descansan Ana y Pedro?
  4. Welke dag rusten Ana en Pedro uit?
  5. ¿Cuándo quedan Ana y Pedro?
  6. Wanneer spreken Ana en Pedro af?
  7. ¿Qué hace Ana el lunes?
  8. Wat doet Ana op maandag?

Oefening 2:

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

libre, miércoles, mañana, martes, viernes

1.
El lunes por la ... trabajo en la oficina.
(Op maandagochtend werk ik op kantoor.)
2.
Estoy ... el sábado por la mañana.
(Ik ben zaterdagmorgen vrij.)
3.
Entonces, ¿el ...?
(Dus, woensdag?)
4.
¿Y el ... antes de cenar?
(En dinsdag voor het avondeten?)
5.
Lo siento, el jueves y el ... también estoy ocupada.
(Sorry, donderdag en vrijdag ben ik ook bezet.)

Oefening 3: Orden de tekst

Instructie: Nummeer de zinnen in de juiste volgorde en lees hardop voor.

Toon vertaling
8
8 Lo siento, el jueves y el viernes también estoy ocupada.
(Sorry, donderdag en vrijdag ben ik ook bezet.)
10
... Estoy libre el sábado por la mañana.
(Ik ben zaterdagmorgen vrij.)
5
... Entonces, ¿el miércoles?
(Dus, woensdag?)
3
... ¿Y el martes antes de cenar?
(En dinsdag voor het avondeten?)
9
... ¿Quedamos el fin de semana?
(Spreken we dit weekend af?)
2
... El lunes por la mañana trabajo en la oficina.
(Op maandagochtend werk ik op kantoor.)
11
... Genial. Y el domingo descansamos.
(Geweldig. En zondag rusten we uit.)
6
... Por el día trabajo y por la noche ceno con mi familia.
(Overdag werk ik en 's avonds dineer ik met mijn familie.)