Preguntar (vragen) - Pretérito imperfecto, indicativo (Onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs) Delen Gekopieerd!

Preguntar - Vervoeging van vragen in het Spaans: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs (Pretérito imperfecto, indicativo).
Pretérito imperfecto, indicativo (Onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs)
Alle vervoegingen en tijden: Preguntar (vragen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Lesprogramma: Spaanse les - Preguntar cosas (Dingen vragen)
Vervoeging van preguntar in Pretérito imperfecto
Spaans | Nederlands |
---|---|
yo preguntaba | ik vroeg |
tú preguntabas | jij vroeg |
él/ella preguntaba | hij vroeg |
nosotros/nosotras preguntábamos | wij vroegen |
vosotros/vosotras preguntabais | jullie vroegen |
ellos/ellas preguntaban | zij vroegen |
Voorbeeldzinnen
Spaans | Nederlands |
---|---|
Preguntaba por la receta de gazpacho. | Hij vroeg naar het recept van gazpacho. |
Preguntabas dónde se celebra la fiesta. | Je vroeg waar het feest wordt gevierd. |
Preguntaba cuánto tiempo tienes libre. | Ik vroeg hoeveel tijd je vrij hebt. |
Preguntábamos qué ingredientes lleva la tarta. | We vroegen welke ingrediënten er in de taart zitten. |
Preguntabais cuándo empieza la clase. | Jullie vroegen wanneer de les begint. |
Preguntaban a dónde iban los niños. | Zij vroegen waar de kinderen naartoe gingen. |
Oefening: Werkwoordsvervoeging
Instructie: Kies de juiste vorm.
preguntábamos, preguntabas, preguntabais, preguntaba, preguntaban
1.
... por la receta de gazpacho.
(Hij vroeg naar het recept van gazpacho.)
2.
... dónde se celebra la fiesta.
(Je vroeg waar het feest wordt gevierd.)
3.
... qué ingredientes lleva la tarta.
(We vroegen welke ingrediënten er in de taart zitten.)
4.
... cuándo empieza la clase.
(Jullie vroegen wanneer de les begint.)
5.
... a dónde iban los niños.
(Zij vroegen waar de kinderen naartoe gingen.)
6.
... cuánto tiempo tienes libre.
(Ik vroeg hoeveel tijd je vrij hebt.)