Planear (plannen) - Pretérito perfecto, indicativo (Voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

 Planear (plannen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Planear - Vervoeging van plannen in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de voltooid tegenwoordige, indicatieve wijs (Pretérito perfecto, indicativo).

Pretérito perfecto, indicativo (Voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Planear (plannen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Spaanse les - Fechas del calendario y días festivos. (Kalenderdata en feestdagen)

Vervoeging van planear in Pretérito perfecto

Spaans Nederlands
yo he planeado ik heb gepland
tú has planeado jij hebt gepland
él/ella ha planeado hij heeft gepland
nosotros/nosotras hemos planeado wij hebben gepland
vosotros/vosotras habéis planeado jullie hebben gepland
ellos/ellas han planeado zij hebben gepland

Voorbeeldzinnen

Spaans Nederlands
He planeado el viaje con la agencia. Ik heb de reis met het bureau gepland.
Has planeado visitar la oficina de turismo. Je hebt gepland om het toeristenbureau te bezoeken.
Ha planeado irse de vacaciones mañana. Hij heeft gepland om morgen op vakantie te gaan.
Hemos planeado una excursión con el guía turístico. We hebben een excursie gepland met de gids.
Habéis planeado comprar un billete de avión. Jullie hebben gepland een vliegticket te kopen.
Han planeado un vuelo relajado para los turistas. Ze hebben een ontspannen vlucht voor de toeristen gepland.

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies de juiste vorm.

Toon vertaling Toon antwoorden

ha planeado, has planeado, he planeado, habéis planeado, hemos planeado, han planeado

1.
... una excursión con el guía turístico.
(We hebben een excursie gepland met de gids.)
2.
... visitar la oficina de turismo.
(Je hebt gepland om het toeristenbureau te bezoeken.)
3.
... comprar un billete de avión.
(Jullie hebben gepland een vliegticket te kopen.)
4.
... irse de vacaciones mañana.
(Hij heeft gepland om morgen op vakantie te gaan.)
5.
... el viaje con la agencia.
(Ik heb de reis met het bureau gepland.)
6.
... un vuelo relajado para los turistas.
(Ze hebben een ontspannen vlucht voor de toeristen gepland.)