Jugar (spelen) - Pretérito indefinido, indicativo (Onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs) Delen Gekopieerd!

Jugar - Vervoeging van Spelen in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de verleden tijd, indicatieve wijs (Pretérito indefinido, indicativo).
Pretérito indefinido, indicativo (Onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs)
Alle vervoegingen en tijden: Jugar (spelen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Lesprogramma: Spaanse les - Deportes y ejercicio (Sport en beweging)
Vervoeging van jugar in Pretérito Indefinido
Spaans | Nederlands |
---|---|
yo jugué | ik speelde |
tú jugaste | jij speelde |
él/ella jugó | hij/zij speelde |
nosotros/nosotras jugamos | wij speelden |
vosotros/vosotras jugasteis | jullie speelden |
ellos/ellas jugaron | zij speelden |
Voorbeeldzinnen
Spaans | Nederlands |
---|---|
Ayer jugué al baloncesto | Gisteren speelde ik basketbal |
Tú jugaste al tenis en la tarde | Jij speelde 's middags tennis |
Él jugó al fútbol con sus amigos | Hij speelde voetbal met zijn vrienden |
Nosotros jugamos al atletismo en el parque | Wij speelden atletiek in het park |
Vosotros jugasteis al fútbol muy bien | Jullie speelden heel goed voetbal |
Ellas jugaron en el torneo de karate | Zij speelden in het karatetoernooi |
Oefening: Werkwoordsvervoeging
Instructie: Kies de juiste vorm.
jugó, jugamos, jugasteis, jugaron, jugué, jugaste
1.
Tú ... al tenis en la tarde
(Jij speelde 's middags tennis)
2.
Ayer ... al baloncesto
(Gisteren speelde ik basketbal)
3.
Nosotros ... al atletismo en el parque
(Wij speelden atletiek in het park)
4.
Él ... al fútbol con sus amigos
(Hij speelde voetbal met zijn vrienden)
5.
Ellas ... en el torneo de karate
(Zij speelden in het karatetoernooi)
6.
Vosotros ... al fútbol muy bien
(Jullie speelden heel goed voetbal)