Aprender (leren) - Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

 Aprender (leren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Aprender - Vervoeging van leren in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, indicatief (Presente, indicativo).

Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Aprender (leren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Spaanse les - Clases de pasatiempos (Hobbylessen)

Vervoeging van leren in de tegenwoordige tijd

Spaans Nederlands
yo aprendo ik leer
tú aprendes jij leert
él/ella aprende hij/zij leert
nosotros/nosotras aprendemos wij leren
vosotros/vosotras aprendéis jullie leren
ellos/ellas aprenden zij leren

Voorbeeldzinnen

Spaans Nederlands
Yo aprendo español con el profesor. Ik leer Spaans met de leraar.
Tú aprendes a ser ingeniero. Jij leert ingenieur te worden.
Él aprende a trabajar de cocinero. Hij leert kok te worden.
Nosotros aprendemos sobre el trabajo del médico. Wij leren over het werk van de arts.
Vosotros aprendéis a estudiar como el estudiante. Jullie leren studeren als de student.
Ellos aprenden a ser buenos periodistas. Zij leren goede journalisten te zijn.

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies de juiste vorm.

Toon vertaling Toon antwoorden

aprendemos, aprendes, aprende, aprendéis, aprendo, aprenden

1.
Yo ... español con el profesor.
(Ik leer Spaans met de leraar.)
2.
Él ... a trabajar de cocinero.
(Hij leert kok te worden.)
3.
Tú ... a ser ingeniero.
(Jij leert ingenieur te worden.)
4.
Nosotros ... sobre el trabajo del médico.
(Wij leren over het werk van de arts.)
5.
Vosotros ... a estudiar como el estudiante.
(Jullie leren studeren als de student.)
6.
Ellos ... a ser buenos periodistas.
(Zij leren goede journalisten te zijn.)