Verschil tussen ser vs estar

We leren over het verschil en de verschillende toepassingen van de werkwoorden ser en estar.

Gramática: Diferencia entre ser vs estar

A1 Spaans Verschil tussen "ser" en "estar"

Niveau: A1

Module 4: Describir objetos y personas. (Objecten en mensen beschrijven)

Les 25: Emociones y sentimientos (Emoties en gevoelens)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 15 minuten

Audio en video

Audio met vertalingen
Audio met vertalingen

  1. Ser wordt gebruikt voor permanente kenmerken, identiteit, herkomst en beroep.
  2. "Estar" wordt gebruikt voor tijdelijke toestanden, emoties, locatie en om over het weer te praten.
VerboUsoEjemplo
SerCaracterísticas permanentesLa mesa es ancha. (De tafel is breed.)
IdentidadJuan es abogado. (Juan is advocaat.)
Origen/Nacionalidaderes española. (Jij bent Spaans.)
Descripciones generalesEl cielo es oscuro. (De lucht is donker.)
EstarEstado o condición temporalElla está cansada. (Zij is moe.)
UbicaciónEl libro está sobre la mesa. (Het boek ligt op tafel.)
EmocionesMaría está feliz hoy. (María is vandaag gelukkig.)
Condiciones temporalesEl camino está mojado. (De weg is nat.)

Oefening 1: Diferencia entre ser vs estar

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

eres, soy, están, estoy, estáis, es, sois, estamos

1.
La calle ... estrecha.
(De straat is smal.)
2.
Tú ... doctora.
(Jij bent dokter.)
3.
Nosotros ... felices.
(Wij zijn gelukkig.)
4.
Yo ... de España.
(Ik kom uit Spanje.)
5.
Ellos ... en casa ahora.
(Zij zijn nu thuis.)
6.
Yo ... cansado.
(Ik ben moe.)
7.
Vosotras ... cansadas.
(Jullie zijn moe.)
8.
Vosotros ... abogados.
(Jullie zijn advocaten.)

Oefening 2: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

sois


jullie zijn

2

estamos


we zijn

3

están


zij zijn

4

está


ligt