Reservar (reserveren) - Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs) Delen Gekopieerd!

Reservar - Vervoeging van reserveren in het Spaans: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige, indicatieve tijd (Presente, indicativo).
Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)
Alle vervoegingen en tijden: Reservar (reserveren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Lesprogramma: Spaanse les - Vivienda y alojamiento (Huisvesting en accommodatie)
Vervoeging van reserveren in de tegenwoordige tijd
Spaans | Nederlands |
---|---|
yo reservo | ik reserveer |
tú reservas | jij reserveert |
él/ella reserva | hij reserveert |
nosotros/nosotras reservamos | wij reserveren |
vosotros/vosotras reserváis | jullie reserveren |
ellos/ellas reservan | zij reserveren |
Voorbeeldzinnen
Spaans | Nederlands |
---|---|
Yo reservo una mesa para dos. | Ik reserveer een tafel voor twee. |
Tú reservas el hotel para el fin de semana. | Jij reserveert het hotel voor het weekend. |
Ella reserva un boleto de avión. | Zij reserveert een vliegticket. |
Nosotros reservamos una habitación doble. | Wij reserveren een tweepersoonskamer. |
Vosotros reserváis un coche para el viaje. | Jullie reserveren een auto voor de reis. |
Ellos reservan entradas para el concierto. | Zij reserveren kaartjes voor het concert. |
Oefening: Werkwoordsvervoeging
Instructie: Kies de juiste vorm.
reservas, reservo, reservan, reservamos, reserváis, reserva
1.
Ellos ... entradas para el concierto.
(Zij reserveren kaartjes voor het concert.)
2.
Ella ... un boleto de avión.
(Zij reserveert een vliegticket.)
3.
Yo ... una mesa para dos.
(Ik reserveer een tafel voor twee.)
4.
Vosotros ... un coche para el viaje.
(Jullie reserveren een auto voor de reis.)
5.
Nosotros ... una habitación doble.
(Wij reserveren een tweepersoonskamer.)
6.
Tú ... el hotel para el fin de semana.
(Jij reserveert het hotel voor het weekend.)