Usar (gebruiken) - Pretérito indefinido, indicativo (Onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs)

 Usar (gebruiken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Usar - Vervoeging van gebruiken in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de verleden tijd, aantonende wijs (Pretérito indefinido, indicativo).

Pretérito indefinido, indicativo (Onvoltooid verleden tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Usar (gebruiken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Spaanse les - Servicios cotidianos (Dagelijkse diensten)

Vervoeging van gebruiken in de pretérito indefinido

Spaans Nederlands
yo usé ik gebruikte
tú usaste jij gebruikte
él/ella usó hij/zij gebruikte
nosotros/nosotras usamos wij gebruikten
vosotros/vosotras usasteis jullie gebruikten
ellos/ellas usaron zij gebruikten

Voorbeeldzinnen

Spaans Nederlands
Usé la tarjeta de crédito ayer. Ik gebruikte gisteren de creditcard.
¿Usaste la dirección electrónica correcta? Jij hebt het juiste e-mailadres gebruikt?
Él no usó el cheque para pagar. Hij gebruikte de cheque niet om te betalen.
Usamos el teléfono para hablar con ellos. We gebruikten de telefoon om met hen te praten.
¿Usasteis la cesta de compras en línea? Jullie gebruikten het online winkelmandje?
Ellos usaron el portal para recibir el pedido. Zij gebruikten het portaal om de bestelling te ontvangen.

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies de juiste vorm.

Toon vertaling Toon antwoorden

usé, usaron, usamos, usó, usasteis, usaste

1.
... la tarjeta de crédito ayer.
(Ik gebruikte gisteren de creditcard.)
2.
Él no ... el cheque para pagar.
(Hij gebruikte de cheque niet om te betalen.)
3.
Ellos ... el portal para recibir el pedido.
(Zij gebruikten het portaal om de bestelling te ontvangen.)
4.
¿... la dirección electrónica correcta?
(Heb je het juiste e-mailadres gebruikt?)
5.
¿... la cesta de compras en línea?
(Hebben jullie het online winkelmandje gebruikt?)
6.
... el teléfono para hablar con ellos.
(We gebruikten de telefoon om met hen te praten.)