Poner (zetten) - Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

 Poner (zetten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Poner - Vervoeging van Zetten in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aantonende wijs (Presente, indicativo).

Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Poner (zetten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Spaanse les - Electrodomésticos (Huishoudelijke apparaten)

Vervoeging van zetten in de tegenwoordige tijd

Spaans Nederlands
yo pongo ik zet
tú pones jij zet
él/ella pone hij/zij zet
nosotros/nosotras ponemos wij zetten
vosotros/vosotras ponéis jullie zetten
ellos/ellas ponen zij zetten

Voorbeeldzinnen

Spaans Nederlands
Yo pongo los vasos en la mesa. Ik zet de glazen op de tafel.
Tú pones la sartén en la cocina. Jij zet de pan in de keuken.
Él pone las copas sobre la mesa. Hij zet de glazen op de tafel.
Nosotros ponemos las servilletas al lado del plato. Wij leggen de servetten naast het bord.
Vosotros ponéis las ollas encima de la estufa. Jullie zetten de pannen op het fornuis.
Ellos ponen los tenedores al lado de los cuchillos. Zij zetten de vorken naast de messen.

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies de juiste vorm.

Toon vertaling Toon antwoorden

pones, ponen, ponemos, ponéis, pone, pongo

1.
Yo ... los vasos en la mesa.
(Ik zet de glazen op de tafel.)
2.
Tú ... la sartén en la cocina.
(Jij zet de pan in de keuken.)
3.
Él ... las copas sobre la mesa.
(Hij zet de glazen op de tafel.)
4.
Nosotros ... las servilletas al lado del plato.
(Wij leggen de servetten naast het bord.)
5.
Vosotros ... las ollas encima de la estufa.
(Jullie zetten de pannen op het fornuis.)
6.
Ellos ... los tenedores al lado de los cuchillos.
(Zij zetten de vorken naast de messen.)