Ir (gaan) - Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs) Delen Gekopieerd!

Ir - Vervoeging van Gaan in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige, indicatieve tijd (Presente, indicativo).
Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)
Alle vervoegingen en tijden: Ir (gaan) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Lesprogramma: Spaanse les - Estaciones, meses y partes del año. (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
Vervoeging van gaan in de tegenwoordige tijd
Spaans | Nederlands |
---|---|
yo voy | ik ga |
tú vas | jij gaat |
él/ella va | hij gaat |
nosotros/nosotras vamos | wij gaan |
vosotros/vosotras vais | jullie gaan |
ellos/ellas van | zij gaan |
Voorbeeldzinnen
Spaans | Nederlands |
---|---|
Yo voy al mercado todos los días. | Ik ga elke dag naar de markt. |
Tú vas a la escuela en bicicleta. | Jij gaat naar school met de fiets. |
Él va al trabajo en coche. | Hij gaat met de auto naar zijn werk. |
Nosotros vamos al cine los fines de semana. | Wij gaan in het weekend naar de bioscoop. |
Vosotros vais a la fiesta esta noche. | Jullie gaan vanavond naar het feest. |
Ellos van de vacaciones a la playa. | Zij gaan op vakantie naar het strand. |
Oefening: Werkwoordsvervoeging
Instructie: Kies de juiste vorm.
vamos, vas, van, voy, vais, va
1.
Él ... al trabajo en coche.
(Hij gaat met de auto naar zijn werk.)
2.
Vosotros ... a la fiesta esta noche.
(Jullie gaan vanavond naar het feest.)
3.
Nosotros ... al cine los fines de semana.
(Wij gaan in het weekend naar de bioscoop.)
4.
Ellos ... de vacaciones a la playa.
(Zij gaan op vakantie naar het strand.)
5.
Tú ... a la escuela en bicicleta.
(Jij gaat naar school met de fiets.)
6.
Yo ... al mercado todos los días.
(Ik ga elke dag naar de markt.)