Preparar (voorbereiden) - Pretérito perfecto, indicativo (Voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

 Preparar (voorbereiden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Preparar - Vervoeging van voorbereiden in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs (Pretérito perfecto, indicativo).

Pretérito perfecto, indicativo (Voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Preparar (voorbereiden) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Spaanse les - Decir tu edad (Je leeftijd zeggen)

Vervoeging van voorbereiden in de voltooid tegenwoordige tijd

Spaans Nederlands
yo he preparado ik heb voorbereid
tú has preparado jij hebt voorbereid
él/ella ha preparado hij heeft voorbereid
nosotros/nosotras hemos preparado wij hebben voorbereid
vosotros/vosotras habéis preparado jullie hebben voorbereid
ellos/ellas han preparado zij hebben voorbereid

Voorbeeldzinnen

Spaans Nederlands
He preparado el viaje con la agencia. Ik heb de reis met het reisbureau voorbereid.
Has preparado la excursión con el guía. Je hebt de excursie met de gids voorbereid.
Ha preparado todo para irse de vacaciones. Hij heeft alles klaargemaakt om op vakantie te gaan.
Hemos preparado las maletas para el vuelo. We hebben de koffers klaargemaakt voor de vlucht.
Habéis preparado la visita a la oficina de turismo. Jullie hebben het bezoek aan het toerismekantoor voorbereid.
Han preparado los planes para relajarse en el viaje. Ze hebben de plannen voorbereid om te ontspannen tijdens de reis.

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies de juiste vorm.

Toon vertaling Toon antwoorden

habéis preparado, he preparado, hemos preparado, han preparado, has preparado, ha preparado

1.
... las maletas para el vuelo.
(We hebben de koffers klaargemaakt voor de vlucht.)
2.
... todo para irse de vacaciones.
(Hij heeft alles klaargemaakt om op vakantie te gaan.)
3.
... la excursión con el guía.
(Je hebt de excursie met de gids voorbereid.)
4.
... el viaje con la agencia.
(Ik heb de reis met het reisbureau voorbereid.)
5.
... los planes para relajarse en el viaje.
(Ze hebben de plannen voorbereid om te ontspannen tijdens de reis.)
6.
... la visita a la oficina de turismo.
(Jullie hebben het bezoek aan het toerismekantoor voorbereid.)