Comunicar (communiceren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van comunicar (communiceren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Comunicar (communiceren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: B1

Module 2: Medios de comunicación cotidianos (Alledaagse media)

Les 11: Radio y podcasts (Radio en podcasts)

Basiswerkwoordsvormen

Infinitivo (Infinitief) Gerundio (Deelwoord) Participio (Deelwoord)
Comunicar (communiceren) Comunicando (Communicerend) Comunicado (Gecommuniceerd)

Comunicar (communiceren): Werkwoordvervoegingstabellen

Indicativo (Aantonende wijs) Subjuntivo (Aanvoegende wijs)

Presente 

Spaans Nederlands
yo comunico ik communiceer
tú comunicas jij communiceert
él/ella comunica hij/zij communiceert
nosotros/nosotras comunicamos wij communiceren
vosotros/vosotras comunicáis jullie communiceren
ellos/ellas comunican zij communiceren

Pretérito perfecto 

Spaans Nederlands
yo he comunicado ik heb gecommuniceerd
tú has comunicado jij hebt gecommuniceerd
él/ella ha comunicado hij/zij heeft gecommuniceerd
nosotros/nosotras hemos comunicado wij hebben gecommuniceerd
vosotros/vosotras habéis comunicado jullie hebben gecommuniceerd
ellos/ellas han comunicado zij hebben gecommuniceerd

Subjuntivo presente 

Spaans Nederlands
yo comunique ik communiceer
tú comuniques jij communiceert
él/ella comunique hij/zij communiceert
nosotros/nosotras comuniquemos wij communiceren
vosotros/vosotras comuniquéis jullie communiceren
ellos/ellas comuniquen zij communiceren

Subjuntivo pretérito perfecto 

Spaans Nederlands
yo haya comunicado ik heb gecommuniceerd
tú hayas comunicado jij hebt gecommuniceerd
él/ella haya comunicado hij/zij heeft gecommuniceerd
nosotros/nosotras hayamos comunicado wij hebben gecommuniceerd
vosotros/vosotras hayáis comunicado jullie hebben gecommuniceerd
ellos/ellas hayan comunicado zij hebben gecommuniceerd

Pretérito imperfecto 

Spaans Nederlands
yo comunicaba ik communiceerde
tú comunicabas jij communiceerde
él/ella comunicaba hij/zij communiceerde
nosotros/nosotras comunicábamos wij communiceerden
vosotros/vosotras comunicabais jullie communiceerden
ellos/ellas comunicaban zij communiceerden

Pretérito pluscuamperfecto 

Spaans Nederlands
yo había comunicado ik had gecommuniceerd
tú habías comunicado jij had gecommuniceerd
él/ella había comunicado hij/zij had gecommuniceerd
nosotros/nosotras habíamos comunicado wij hadden gecommuniceerd
vosotros/vosotras habíais comunicado jullie hadden gecommuniceerd
ellos/ellas habían comunicado zij hadden gecommuniceerd

Subjuntivo pretérito imperfecto 

Spaans Nederlands
yo comunicara/comunicase ik zou communiceren
tú comunicaras/comunicases jij zou communiceren
él/ella comunicara/comunicase hij zou communiceren
nosotros/nosotras comunicáramos/comunicásemos wij zouden communiceren
vosotros/vosotras comunicarais/comunicaseis jullie zouden communiceren
ellos/ellas comunicaran/comunicaran zij zouden communiceren

Subjuntivo pluscuamperfecto 

Spaans Nederlands
yo hubiera/hubiese comunicado ik zou gecommuniceerd hebben
tú hubieras/hubieses comunicado jij zou gecommuniceerd hebben
él/ella hubiera/hubiese comunicado hij zou hebben gecommuniceerd
nosotros/nosotras hubiéramos/hubiésemos comunicado wij zouden gecommuniceerd hebben
vosotros/vosotras hubierais/hubieseis comunicado jullie zouden gecommuniceerd hebben
ellos/ellas hubieran/hubiesen comunicado zij zouden hebben gecommuniceerd

Pretérito indefinido 

Spaans Nederlands
yo comuniqué ik communiceerde
tú comunicaste jij communiceerde
él/ella comunicó hij/zij communiceerde
nosotros/nosotras comunicamos wij communiceerden
vosotros/vosotras comunicasteis jullie communiceerden
ellos/ellas comunicaron zij communiceerden

Pretérito anterior 

Spaans Nederlands
yo hube comunicado ik had gecommuniceerd
tú hubiste comunicado jij had gecommuniceerd
él/ella hubo comunicado hij had gecommuniceerd
nosotros/nosotras hubimos comunicado wij hadden gecommuniceerd
vosotros/vosotras hubisteis comunicado jullie hadden gecommuniceerd
ellos/ellas hubieron comunicado zij hadden gecommuniceerd

Subjuntivo futuro simple 

Spaans Nederlands
yo comunicare ik zal communiceren
tú comunicares jij zult communiceren
él/ella comunicare hij zou communiceren
nosotros/nosotras comunicáremos wij zouden communiceren
vosotros/vosotras comunicareis jullie zullen communiceren
ellos/ellas comunicaren zij zouden communiceren

Subjuntivo futuro perfecto 

Spaans Nederlands
yo hubiere comunicado ik zal gecommuniceerd hebben
tú hubieres comunicado jij zult gecommuniceerd hebben
él/ella hubiere comunicado hij zal gecommuniceerd hebben
nosotros/nosotras hubiéremos comunicado wij zouden gecommuniceerd hebben
vosotros/vosotras hubiereis comunicado jullie zullen gecommuniceerd hebben
ellos/ellas hubieren comunicado zij zouden hebben gecommuniceerd

Futuro simple 

Spaans Nederlands
yo comunicaré ik zal communiceren
tú comunicarás jij zult communiceren
él/ella comunicará hij/zij zal communiceren
nosotros/nosotras comunicaremos wij zullen communiceren
vosotros/vosotras comunicaréis jullie zullen communiceren
ellos/ellas comunicarán zij zullen communiceren

Futuro perfecto 

Spaans Nederlands
yo habré comunicado ik zal gecommuniceerd hebben
tú habrás comunicado jij zult hebben gecommuniceerd
él/ella habrá comunicado hij zal hebben gecommuniceerd
nosotros/nosotras habremos comunicado wij zullen gecommuniceerd hebben
vosotros/vosotras habréis comunicado jullie zullen gecommuniceerd hebben
ellos/ellas habrán comunicado zij zullen gecommuniceerd hebben
Imperativo (Imperatief)

Imperativo 

Spaans Nederlands
¡Comunica! jij communiceer
¡Comunique! hij/zij communiceer
¡Comuniquemos! laten wij communiceren
¡Comunicad! jullie communiceren
¡Comuniquen! zij communiceren

Imperativo negativo 

Spaans Nederlands
No comuniques! jij moet niet communiceren
No comunique! hij/zij communiceert niet
No comuniquemos! Laten we niet communiceren!
No comuniquéis! jullie communiceren niet
No comuniquen! zij communiceren niet

Condicional simple 

Spaans Nederlands
yo comunicaría ik zou communiceren
tú comunicarías jij zou communiceren
él/ella comunicaría hij zou communiceren
nosotros/nosotras comunicaríamos wij zouden communiceren
vosotros/vosotras comunicaríais jullie zouden communiceren
ellos/ellas comunicarían zij zouden communiceren

Condicional perfecto 

Spaans Nederlands
yo habría comunicado ik zou hebben gecommuniceerd
tú habrías comunicado jij zou hebben gecommuniceerd
él/ella habría comunicado hij zou hebben gecommuniceerd
nosotros/nosotras habríamos comunicado wij zouden hebben gecommuniceerd
vosotros/vosotras habríais comunicado jullie zouden hebben gecommuniceerd
ellos/ellas habrían comunicado zij zouden gecommuniceerd hebben

Tegenwoordige en toekomstige tijden: A1

Oefening: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Wij communiceren de beslissing van de overeenkomst.
Nosotros comunicamos la decisión del acuerdo.
2. Hij communiceert de filmkritiek.
Él comunica la crítica de la película.
3. Jij zult het nieuws in de krant communiceren.
Tú comunicarás la noticia en el periódico.
4. jij communiceert het nieuws in de krant.
Tú comunicas la noticia en el periódico.
5. jullie communiceren de technologische innovaties.
Vosotros comunicáis las innovaciones de tecnología.

Basis verleden tijd (A2/B1)

Oefening: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Ik heb het nieuws in de campagnevergadering gecommuniceerd.
He comunicado la noticia en la reunión de la campaña.
2. Zij hebben de kritiek aan de pers gecommuniceerd na de publicatie van het artikel.
Han comunicado las críticas a la prensa tras la publicación del artículo.
3. Zij communiceerden de aankondiging van de reclamecampagne in de pers.
Comunicaron el anuncio de la campaña publicitaria en la prensa.
4. jullie communiceerden de standpunten in de debatten.
Vosotros comunicabais los puntos de vista en los debates.
5. Jij communiceerde het ware nieuws in de krant.
Tú comunicabas las noticias verídicas en el periódico.

Basis subjunctief oefeningen: B1

Oefening: Werkwoordsvervoeging

Instructie: Kies het juiste werkwoord en de juiste tijd.

Toon vertaling Toon antwoorden

comuniquéis, comuniques, comuniquemos, comunicaras, comunicara

1.
Os pido que ... la noticia a los periodistas.
(Ik vraag jullie dat jullie de boodschap aan de journalisten communiceren.)
2.
Es importante que ... tus ideas en la discusión.
(Het is belangrijk dat jij je ideeën communiceert in de discussie.)
3.
Sería impactante si él ... sus pensamientos en la conferencia.
(Het zou schokkend zijn als hij zijn gedachten op de conferentie zou meedelen.)
4.
Es esencial que ... nuestro acuerdo al equipo.
(Het is essentieel dat wij communiceren onze overeenkomst aan het team.)
5.
Sería ideal si ... la campaña publicitaria con claridad.
(Het zou ideaal zijn als je de advertentiecampagne duidelijk communiceert.)

Gevorderde oefeningen: C1/C2

Oefening: Vertaal en maak zinnen

Instructie: Vertaal de woorden en zinnen hieronder.

1. Het is vreemd dat jullie de beslissing in het openbaar hebben gecommuniceerd.
Es raro que hayáis comunicado la decisión en público.
2. Het is niet zeker dat zij hebben gecommuniceerd het verslag naar de sociale media.
No es seguro que hayan comunicado el informe a las redes sociales.
3. Ik had het nieuws in de krant gecommuniceerd vóór de conferentie.
Yo hube comunicado la noticia en el periódico antes de la conferencia.
4. jij had gecommuniceerd
Tú hubiste comunicado los detalles del evento en las redes sociales.
5. Wij zouden aan de volgers de première van het actieprogramma hebben gecommuniceerd.
Nosotros habríamos comunicado a los seguidores el estreno del programa de acción.